Vraag van de maand

Vraag van de maand

Is de aanvullende kinderbijslag in het kader van een cafetariaplan onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen?

1 februari 2020

Een verzekeringsmakelaar stelt 2 werkneemsters deeltijds tewerk. Beide dames verdienen ca. 2.350 EUR bruto per maand en komen hun werkgever om loonsopslag verzoeken.

Tijdens dit gesprek geven zij onder meer aan dat de kosten voor hun opgroeiende kinderen steeds maar toenemen. In plaats van voor een bruto loonsopslag te opteren, kent de verzekeringsmakelaar aan beide dames – die elk 2 kinderen hebben – een aanvullende kinderbijslag (of thans ‘aanvulling van de voordelen van het groeipakket’) toe van 50 EUR bruto per kind per maand.

De zus van één van beide werkneemsters is tewerkgesteld binnen een multinational waar op hetzelfde ogenblik een cafetariaplan wordt geïmplementeerd. Eén van de voordelen waarvoor kan geopteerd worden uit het ‘menu’ van 27 verschillende voordelen in het cafetariaplan, betreft eveneens een aanvullende kinderbijslag. De zus heeft eveneens 2 kinderen en in ruil voor een verlaging van haar brutoloon opteert zij in het kader van het cafetariaplan onder meer voor een aanvullende kinderbijslag voor haar beide kinderen van 50 EUR per kind per maand.

Worden de aanvullende kinderbijslagen van beide zussen sociaalzekerheidsrechtelijk op dezelfde wijze behandeld?

Helaas foutief...

Hoewel beide zussen elk maandelijks 100 EUR aan aanvullende kinderbijslag (of thans ‘aanvulling van de voordelen van het groeipakket’) ontvangen, i.e. een identiek bedrag voor een identieke vergoeding, is de aanvullende kinderbijslag van de zus tewerkgesteld bij de verzekeringsmakelaar niet onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen, terwijl de aanvullende kinderbijslag van de andere zus tewerkgesteld in de multinational wél onderworpen wordt aan sociale zekerheidsbijdragen.

De wet is nochtans duidelijk. Artikel 2, 3de lid, 1°, c) van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de vergoedingen rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever betaald als aanvulling op een sociaal zekerheidsrechtelijke prestatie niet als loon dienen beschouwd te worden zodat er geen sociale zekerheidsbijdragen op verschuldigd zijn. Op basis hiervan zou kunnen verwacht worden dat de aanvullende kinderbijslag van de 2de zus evenmin aan sociale zekerheidsbijdragen zou dienen onderworpen te zijn.

Echter, om te worden beschouwd als een aanvulling op een sociale zekerheidsprestatie moet de aanvulling de compensatie beogen van het verlies van de beroepsinkomsten of van de toename van de kosten die veroorzaakt zijn door de verwezenlijking van een van de risico’s die door de verschillende takken van de sociale zekerheid zijn gedekt. Dit is dan ook de ratio legis geweest waarom het Hof van Cassatie in haar arrest van 25 maart 2019 heeft geoordeeld om de toegekende aanvullende kinderbijslag in het kader van een cafetariaplan te onderwerpen aan sociale zekerheidsbijdragen.

In deze zaak waarover het Hof van Cassatie een uitspraak moest doen, was het brutoloon – dat de minima overschreed – verlaagd geworden en het verschil vervangen door “alternatieve voordelen” waaronder een aanvullende kinderbijslag. Hierdoor nam het bedrag van het globaal nettoloon met 3 procent toe vermits er geen 13,07% sociale zekerheidsbijdragen werden ingehouden op de aanvullende kinderbijslag. Hoewel die verhoging van de nettobedragen wel degelijk “een voordeel” betekende voor de werknemer, volstond deze verhoging van 3% voor het Hof van Cassatie niet om wettig te besluiten dat zij tot doel had de uitgaven te compenseren die sociale zekerheidsrisico’s meebrengen. Bijgevolg kon zij volgens het Hof niet beschouwd worden als een aanvulling op de kinderbijslag.

De zus tewerkgesteld bij de verzekeringsmakelaar ontvangt maandelijks bovenop haar brutoloon een aanvulling van 100 EUR bruto, terwijl de zus tewerkgesteld in de multinational enkel de werknemersbijdrage inzake sociale zekerheid van 13,07% op de omgezette 100 EUR bruto loon als extra genereert. Beide zussen genereren dus extra netto inkomsten, maar de extra inkomsten van de zus tewerkgesteld bij de verzekeringsmakelaar zijn verhoudingsgewijs aanzienlijk hoger dan de extra inkomsten van de zus tewerkgesteld bij de multinational. Ofschoon de zus tewerkgesteld bij de multinational ook een voordeel kent doordat zij maandelijks netto een iets hoger inkomen zal hebben, is dit volgens bovenvermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie niet voldoende om als een aanvulling bij een sociale zekerheidsprestatie, i.e. bij de kinderbijslag, te kwalificeren.

Op basis van deze zienswijze van het Hof van Cassatie heeft de RSZ haar standpunt verstrengd. Dit nieuwe standpunt zal opgenomen worden in de volgende bijwerking van de Administratieve Instructies, die eind februari 2020 zullen worden gepubliceerd.
Vanaf dat moment zal het nieuwe standpunt ook worden beschouwd als het officiële, aan iedereen meegedeelde, standpunt van de RSZ over vrij besteedbare bedragen die in het kader van cafetariaplannen worden toegekend aan werknemers met kinderen. Als deze voordelen in bestaande cafetariaplannen behouden blijven, zullen er dus bijdragen op verschuldigd zijn.

Correct!

Hoewel beide zussen elk maandelijks 100 EUR aan aanvullende kinderbijslag (of thans ‘aanvulling van de voordelen van het groeipakket’) ontvangen, i.e. een identiek bedrag voor een identieke vergoeding, is de aanvullende kinderbijslag van de zus tewerkgesteld bij de verzekeringsmakelaar niet onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen, terwijl de aanvullende kinderbijslag van de andere zus tewerkgesteld in de multinational wél onderworpen wordt aan sociale zekerheidsbijdragen.

De wet is nochtans duidelijk. Artikel 2, 3de lid, 1°, c) van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de vergoedingen rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever betaald als aanvulling op een sociaal zekerheidsrechtelijke prestatie niet als loon dienen beschouwd te worden zodat er geen sociale zekerheidsbijdragen op verschuldigd zijn. Op basis hiervan zou kunnen verwacht worden dat de aanvullende kinderbijslag van de 2de zus evenmin aan sociale zekerheidsbijdragen zou dienen onderworpen te zijn.

Echter, om te worden beschouwd als een aanvulling op een sociale zekerheidsprestatie moet de aanvulling de compensatie beogen van het verlies van de beroepsinkomsten of van de toename van de kosten die veroorzaakt zijn door de verwezenlijking van een van de risico’s die door de verschillende takken van de sociale zekerheid zijn gedekt. Dit is dan ook de ratio legis geweest waarom het Hof van Cassatie in haar arrest van 25 maart 2019 heeft geoordeeld om de toegekende aanvullende kinderbijslag in het kader van een cafetariaplan te onderwerpen aan sociale zekerheidsbijdragen.

In deze zaak waarover het Hof van Cassatie een uitspraak moest doen, was het brutoloon – dat de minima overschreed – verlaagd geworden en het verschil vervangen door “alternatieve voordelen” waaronder een aanvullende kinderbijslag. Hierdoor nam het bedrag van het globaal nettoloon met 3 procent toe vermits er geen 13,07% sociale zekerheidsbijdragen werden ingehouden op de aanvullende kinderbijslag. Hoewel die verhoging van de nettobedragen wel degelijk “een voordeel” betekende voor de werknemer, volstond deze verhoging van 3% voor het Hof van Cassatie niet om wettig te besluiten dat zij tot doel had de uitgaven te compenseren die sociale zekerheidsrisico’s meebrengen. Bijgevolg kon zij volgens het Hof niet beschouwd worden als een aanvulling op de kinderbijslag.

De zus tewerkgesteld bij de verzekeringsmakelaar ontvangt maandelijks bovenop haar brutoloon een aanvulling van 100 EUR bruto, terwijl de zus tewerkgesteld in de multinational enkel de werknemersbijdrage inzake sociale zekerheid van 13,07% op de omgezette 100 EUR bruto loon als extra genereert. Beide zussen genereren dus extra netto inkomsten, maar de extra inkomsten van de zus tewerkgesteld bij de verzekeringsmakelaar zijn verhoudingsgewijs aanzienlijk hoger dan de extra inkomsten van de zus tewerkgesteld bij de multinational. Ofschoon de zus tewerkgesteld bij de multinational ook een voordeel kent doordat zij maandelijks netto een iets hoger inkomen zal hebben, is dit volgens bovenvermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie niet voldoende om als een aanvulling bij een sociale zekerheidsprestatie, i.e. bij de kinderbijslag, te kwalificeren.

Op basis van deze zienswijze van het Hof van Cassatie heeft de RSZ haar standpunt verstrengd. Dit nieuwe standpunt zal opgenomen worden in de volgende bijwerking van de Administratieve Instructies, die eind februari 2020 zullen worden gepubliceerd.
Vanaf dat moment zal het nieuwe standpunt ook worden beschouwd als het officiële, aan iedereen meegedeelde, standpunt van de RSZ over vrij besteedbare bedragen die in het kader van cafetariaplannen worden toegekend aan werknemers met kinderen. Als deze voordelen in bestaande cafetariaplannen behouden blijven, zullen er dus bijdragen op verschuldigd zijn.

Vragen? Wij helpen graag verder!

Vraag van de maand