Naar een algemene verplichting tot tijdsregistratie op de arbeidsplaats?

1 juli 2019
Tekst
Frederic Brasseur
Naar een algemene verplichting tot tijdsregistratie op de arbeidsplaats?

Op Europees vlak voorziet de Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in een aantal minimumnormen op Europees niveau inzake de arbeidstijd, waaronder het feit dat de wekelijkse arbeidstijd niet meer dan 48 uur mag bedragen. Het gaat wel om minimumnormen op Europees niveau, die geen afbreuk doen aan strengere regels op nationaal niveau.

Deze Richtlijn bevat geen specifieke bepalingen over de controle op het aantal gepresteerde uren.

Tijdsregistratie
In een geschil tussen vakbonden en bank in Spanje, merkten de vakbonden op dat het onmogelijk was om te controleren of de grenzen inzake het maximum te presteren uren wel werden nageleefd omwille van het feit dat er geen wettelijke verplichting voorzien was om het aantal gepresteerde uren te registreren. Bij de betrokken bank werd het aantal gepresteerde uren niet bijgehouden. De werknemers konden ook zeer moeilijk extra loon voor gepresteerde overuren opeisen, aangezien zij zeer moeilijk konden bewijzen hoeveel overuren zij hadden gepresteerd. Volgens de eiseres in het onderliggende geschil dat tot de prejudiciële vraag had geleid, was de Richtlijn 2003/88 door Spanje dan ook niet correct omgezet, zodat zij een prejudiciële vraag hierover stelden aan het Hof van Justitie.

In haar arrest van 14 mei 2019 merkt het Hof van Justitie op dat bij gebrek aan een systeem van tijdsregistratie de werknemers enkel met andere bewijsmiddelen kunnen aantonen dat zij meer hadden gewerkt. Dit kon met getuigenverklaringen, maar het Hof van Justitie merkt hierover op dat zolang werknemers nog in dienst zijn en zich dus in een zwakkere positie bevinden, dit geen efficiënt middel is om na te gaan wat het aantal gepresteerde uren is. Werknemers zouden eventueel kunnen verwijzen naar de uren waarop zij e-mails verstuurd hebben, het aantal uren waarop zij aangelogd waren op het computernetwerk van het bedrijf of de gegevens van hun mobiele telefoon. Het Hof van Justitie merkt ook hier op dat deze gegevens niet noodzakelijk het volledige aantal gepresteerde uren weergeven, zodat ook deze gegevens niet noodzakelijk doorslaggevend zijn.

Moeilijk te controleren
Het Hof van Justitie besluit dan ook dat de afwezigheid van een systematische tijdsregistratie een inbreuk vormt op de rechten van de werknemers onder de Richtlijn 2003/88. Zonder een dergelijk systeem is het zowel voor de betrokken werknemers als voor de nationale inspectiediensten zeer moeilijk tot zelfs onmogelijk om te controleren of de grenzen van de maximale arbeidsduur onder deze Richtlijn wel nageleefd worden. Bijgevolg moet volgens het Hof van Justitie elke lidstaat van de Europese Unie ervoor zorgen dat een "objectief, betrouwbaar en toegankelijk systeem dat de duur van de arbeidstijd voor elke dag en voor elke werknemer registreert" voorhanden is.

Het Hof van Justitie voegt hier wel niet aan toe hoe dit systeem concreet dient te werken. Op dit punt is het dus afwachten hoe het Belgische arbeidsrecht zal aangepast worden. Op dit ogenblik is er onder Belgisch recht immers enkel een verplichting om het aantal arbeidsuren te registreren in een aantal specifieke gevallen, bijvoorbeeld bij de toepassing van glijdende uurroosters.

Om de naleving van de maximale arbeidsduur te kunnen controleren, moet volgens het Hof van Justitie een algemene verplichting tot het gebruik van een tijdsregistratiesysteem worden ingevoerd.