Tak 21 of tak 23: wie beheert straks het pensioenrendement?

Aanvullende pensioenen zijn voor werkgevers al lang meer dan een fiscaal interessante extralegale benefit. Ze zijn een essentieel onderdeel van het totale loonpakket én van de financiële zekerheid van medewerkers. Maar achter die vertrouwde groepsverzekering schuilt vandaag een strategische vraag: blijft u kiezen voor zekerheid met een beperkt rendement, of neemt u meer regie over het beleggingspotentieel? Sven Braspenning, Aon consultant Health & Wealth Solutions legt het u uit.
In België worden veruit de meeste aanvullende pensioenen nog altijd beheerd via een tak 21-verzekering. Volgens de “Aon pension survey 2024” vertegenwoordigen pensioenplannen via verzekeringsondernemingen 84% waarbij 16% worden gefinancierd via de pensioenfondsen. Binnen de verzekerde plannen zijn 83% tak 21 en 17% tak 23. Dat historische overwicht is logisch: tak 21 biedt een gewaarborgd rendement, eventueel aangevuld met winstdeelname. Voor HR en finance voelt dat veilig en herkenbaar aan.
Maar veiligheid heeft een prijs. Tak 21 wordt in hoofdzaak gedragen door defensieve beleggingen, vaak vastrentende waarden. In een omgeving waar de rendementen lange tijd laag waren, komt die aanpak onder druk. Sinds 1 januari 2025 bedraagt de wettelijke minimumrendementsgarantie op aanvullende pensioenen 2,50%. Die garantie rust niet op de verzekeraar, maar op de werkgever of sectorale inrichter. Als het effectieve rendement onvoldoende is, kan dus een financieringstekort ontstaan dat uiteindelijk door de werkgever moet worden bijgepast.
Tak 23 als alternatief
Daarom kijken steeds meer werkgevers naar tak 23. In een tak 23-formule wordt het pensioenvermogen niet beheerd met een gewaarborgde rente, maar belegd in onderliggende fondsen. De waarde van de reserves volgt dus de financiële markten. Dat betekent: geen vaste garantie van de verzekeraar, maar wel toegang tot een breder beleggingsuniversum, vergelijkbaar met de logica van een pensioenfonds. De werkgever kan, binnen het gekozen kader en met professioneel advies, bewuster bepalen hoe de pensioenbijdragen worden belegd.
Het belangrijkste voordeel is het hogere verwachte rendement op lange termijn. Op basis van de “Aon London Market Assumptions” model mag voor een evenwichtig gespreide portefeuille van 50% obligaties en 50% aandelen voor de komende tien jaar een rendement van ongeveer 5% per jaar worden verwacht. Dat blijft uiteraard een verwachting, geen garantie. Maar het verschil met de wettelijke minimumgarantie van 2,50% is substantieel.
Een klein verschil wordt groot over tijd
Het effect van rendement wordt vooral zichtbaar over een lange loopbaan. Wie gedurende 30 jaar maandelijks dezelfde premie stort, bouwt aan 2,50% per jaar een eindkapitaal op van ongeveer 1,47 keer de totale gestorte premies. Aan 5% per jaar loopt dat op tot ongeveer 2,28 keer. Anders gezegd: bij dezelfde maandelijkse premie ligt het eindkapitaal in dit eenvoudige voorbeeld ongeveer 55% hoger. Voor medewerkers maakt dat op pensioenleeftijd een belangrijk verschil.
Daar staat volatiliteit tegenover. De waarde van een tak 23-portefeuille kan van jaar tot jaar schommelen en in negatieve marktjaren dalen. Dat klinkt oncomfortabel, maar pensioenopbouw is per definitie een langetermijnproject. Wie over twintig of dertig jaar belegt, kijkt best niet alleen naar jaarlijkse schommelingen, maar naar het verwachte rendement over de volledige horizon. Bovendien kan een plan worden ingericht met lifecycle-oplossingen, spreiding en risicobeheer, zodat het beleggingsrisico beter aansluit bij de leeftijd en resterende looptijd van de aangeslotenen.
Wat met het werkgeversrisico?
Een vaak gehoorde vrees is dat tak 23 automatisch leidt tot meer financieringsrisico voor de werkgever. Dat verdient nuance. Bij een tijdelijk tekort na een negatief beursjaar moet de werkgever niet noodzakelijk onmiddellijk collectief aanzuiveren. De verplichting speelt vooral wanneer een medewerker op dat moment zijn pensioenreserves overdraagt of het pensioenkapitaal ontvangt. Daarnaast kunnen moderne oplossingen werken met een buffermechanisme: in positieve jaren wordt een deel van het extra rendement opzijgezet om mogelijke tekorten in moeilijke jaren op te vangen. Zo kan het onderfinancieringsrisico aanzienlijk worden beperkt.
Dat maakt de keuze niet vrijblijvend. Een tak 23-plan vraagt meer kennis dan een klassiek tak 21-contract. HR en finance moeten niet zelf beleggingsspecialisten worden, maar ze hebben wel nood aan een adviseur die de markt kent, de beleggingsaanpak kan uitleggen, de kosten vergelijkt, de risico’s opvolgt en de communicatie naar medewerkers ondersteunt. De markt is de voorbije jaren veel competitiever geworden, maar net daarom is goede begeleiding cruciaal.
Van standaardkeuze naar strategische beslissing
De vraag is dus niet of tak 21 goed en tak 23 slecht is, of omgekeerd. De echte vraag is welke pensioenbelofte u als werkgever wilt waarmaken. Wie vooral zekerheid en eenvoud zoekt, zal tak 21 blijven waarderen. Wie echter het langetermijnpotentieel van pensioenbijdragen beter wil benutten, kan tak 23 niet langer negeren.
Voor HR ligt hier een belangrijke rol. Aanvullend pensioen is geen administratief product meer dat eenmaal wordt afgesloten en daarna jarenlang op automatische piloot blijft lopen. Het is een strategisch onderdeel van total reward. En precies daarom verdient de keuze tussen tak 21 en tak 23 vandaag opnieuw een plaats op de agenda.
28K
Volg ons op Linkedin en sluit je gratis aan bij de grootste HR-community van België.





