Singapore: de gekooide droom

Singapore is amper 61 jaar onafhankelijk en behoort vandaag tot de rijkste landen ter wereld. De stadstaat telt iets meer dan zes miljoen inwoners, ongeveer de helft van België, maar het verschil in bruto binnenlands product is veel kleiner. Ook de overheidsfinanciën zijn opvallend sterk: Singapore bouwde enorme staatsreserves op en investeert die met een discipline waar België alleen maar van kan dromen. Het is het resultaat van een overheid die keuzes maakt, consequent uitvoert en ver vooruit durft te kijken. Maar daarin schuilt ook de paradox van Singapore: de - autoritaire - overheid creëert welvaart, veiligheid en vrijheid, maar verwacht in ruil dat haar burgers zich aan duidelijke regels houden.
Singapore is geen economisch mirakel dat uit het niets verrees. Toen het land in 1965 onafhankelijk werd van Maleisië, was het al een belangrijke havenstad. Het vertrekpunt was niettemin bijzonder kwetsbaar: weinig natuurlijke rijkdommen, beperkte ruimte, grote etnische diversiteit en een economie die zichzelf opnieuw moest uitvinden.
Onder leiding van eerste minister Lee Kuan Yew (Premier van 1959 tot 1990) koos Singapore voor een model dat tot vandaag herkenbaar blijft: economische openheid gekoppeld aan een bijzonder sterke staat. Buitenlandse bedrijven werden aangetrokken, infrastructuur werd uitgebouwd, onderwijs werd een economische prioriteit en de overheid ging zelf op zoek naar het beste talent. Ideologie moest daarbij vooral wijken voor wat werkte.
De pragmatische paradox van de Aziatische tijger
Dat pragmatisme zie je vandaag overal. Neem de staatsfinanciën. Singapore heeft niet ieder jaar een begrotingsoverschot - tijdens de coronacrisis liep het tekort bijvoorbeeld fors op - maar heeft door decennia van begrotingsdiscipline enorme reserves opgebouwd.
Die worden onder meer beheerd door Government of Singapore Investment Corporation (GIC), Temasek en de Monetary Authority of Singapore. Een deel van de verwachte langetermijnopbrengsten mag jaarlijks worden gebruikt om de begroting te financieren. De rest blijft gereserveerd voor toekomstige generaties. De overheid consumeert haar opgebouwde vermogen dus niet zomaar, maar laat het mee de toekomstige welvaart financieren.
Die welvaart is bovendien geen doel op zich. Een fundamenteel onderdeel van het Singaporese model is dat economische groei uiteindelijk de eigen bevolking ten goede moet komen. Buitenlandse bedrijven, kapitaal en expats zijn welkom omdat ze banen, kennis en investeringen meebrengen. Maar de overheid bewaakt tegelijk nadrukkelijk de belangen van Singaporese burgers, onder meer via huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg en arbeidsmarktbeleid. Economische openheid en een uitgesproken nationaal belang blijken er perfect naast elkaar te kunnen bestaan.
Hetzelfde pragmatisme zie je in de internationale politiek. Singapore is klein en kan zich nauwelijks permitteren om partij te kiezen in de strijd tussen grootmachten. Het onderhoudt daarom nauwe economische en strategische relaties met zowel de Verenigde Staten als China. Niet kiezen uit naïviteit, maar balanceren uit noodzaak.
Ook taal werd vanuit die logica benaderd. Singapore heeft vier officiële talen - Engels, Maleis, Mandarijn en Tamil - maar Engels is in de praktijk de gemeenschappelijke taal van overheid, onderwijs en bedrijfsleven. In een samenleving met verschillende etnische en culturele gemeenschappen moest taal in de eerste plaats verbinden.
Voor een Belg klinkt alleen dat al behoorlijk exotisch.
Orde heeft een prijs
De economische vrijheid van Singapore mag niet worden verward met een even liberale visie op samenleving en bestuur. Wie hier rondloopt, merkt onmiddellijk hoe ordelijk de stad functioneert. Singapore behoort tot de veiligste grootstedelijke samenlevingen ter wereld. De publieke ruimte is intensief uitgerust met camera's en de regels zijn strikt.
Zelfs het lokaal beroemde verhaal over kauwgom verdient nuance. Kauwgom is niet verboden, maar de import en commerciële verkoop ervan zijn grotendeels aan banden gelegd. Het vertelt iets over het Singaporese model: wanneer de overheid iets als een maatschappelijk probleem beschouwt, aarzelt ze weinig om daadkrachtig in te grijpen.
Veel fundamenteler is het drugsbeleid. Voor handel in bepaalde hoeveelheden drugs kan nog altijd de doodstraf worden opgelegd. Naar Europese normen is dat bijzonder hard. Maar wie alleen vanuit ons perspectief kijkt, mist een belangrijk deel van het verhaal: veel Singaporezen zelf beschouwen die strenge aanpak niet als een probleem, maar als een van de verklaringen voor de veiligheid waarin ze leven.
Ze kijken naar drugsproblemen, dakloosheid en straatgeweld in andere rijke landen - niet het minst in delen van de Verenigde Staten - en zien een bevestiging dat hun eigen model werkt. De vele camera's worden vanuit dat perspectief niet zozeer ervaren als een aantasting van de vrijheid dan wel als de prijs voor een veilige samenleving. De redenering is eenvoudig: wie niets verkeerd doet, heeft weinig te vrezen.
Dat betekent niet dat iedere Singaporees dezelfde mening heeft, noch dat kritiek op de overheid ontbreekt. Maar het is te eenvoudig om het systeem uitsluitend te bekijken als een overheid die vrijheid afneemt van een bevolking die dat lijdzaam ondergaat. De regerende People's Action Party geniet al decennialang een brede electorale steun en veel inwoners hebben vertrouwen in de manier waarop de staat wordt bestuurd.
Daar zit misschien de interessantste tegenstelling met Europa. Wij plaatsen vrijheid en overheidscontrole snel tegenover elkaar. In Singapore lijken veel burgers veiligheid, orde en vrijheid net als onderdelen van hetzelfde maatschappelijke contract te beschouwen. Privacy krijgt daarin minder gewicht.
De staat als headhunter
Die sterke overheid stopt niet bij ordehandhaving. Ze mengt zich ook actief in de strijd om talent.
Via prestigieuze Public Service Commission Scholarships krijgen uitstekende studenten de kans om aan internationale topuniversiteiten te studeren. In ruil verbinden ze zich voor meerdere jaren aan de publieke dienst. De overheid wacht met andere woorden niet tot talent zich spontaan aanbiedt, maar identificeert jonge mensen vroeg, investeert fors in hun opleiding en probeert hen vervolgens voor de staat te laten werken.
Het resultaat is een publieke sector die veel nadrukkelijker met het bedrijfsleven concurreert om toptalent dan we in België gewend zijn.
Ook het onderwijs zelf behoort internationaal tot de absolute top. Het cliché dat Singapore alleen leerlingen zou produceren die goed zijn in reproduceren en gehoorzamen, houdt steeds minder stand. In de meest recente PISA-meting staat Singapore op nummer één voor wiskunde, wetenschappen en leesvaardigheid. België scoort net boven het gemiddelde

Dat betekent niet dat er geen keerzijde is. In gesprekken met bedrijfsleiders komt geregeld dezelfde observatie terug: Singaporese werknemers zijn bijzonder sterk op uitvoering, maar hiërarchie uitdagen of radicaal afwijken van bestaande processen is niet altijd vanzelfsprekend. Dat is geen statistisch gegeven, wel een interessante spanning in een economie die steeds meer innovatie en ondernemerschap nodig heeft.
Een stad in een tuin
Wie Singapore reduceert tot wolkenkrabbers, beton en economische efficiëntie mist bovendien een essentieel onderdeel van de visie waarop de stad is gebouwd: groen.
Lee Kuan Yew wilde van Singapore al vroeg een groene stad maken. Niet als decoratie achteraf, maar als onderdeel van de economische en maatschappelijke ontwikkeling. Bomen, parken en natuur moesten de dichtbevolkte stad leefbaar maken en tegelijk bijdragen aan haar aantrekkingskracht voor inwoners, talent en internationale bedrijven.
Vandaag is dat overal zichtbaar. Tussen de hoogbouw liggen parken en natuurgebieden, wegen worden omzoomd door bomen en groen wordt steeds nadrukkelijker geïntegreerd in gebouwen en nieuwe stadsontwikkelingen. De ambitie evolueerde van een 'Garden City' naar een 'City in Nature'.
Ook dat typeert Singapore. Zelfs vergroening wordt niet alleen als ecologisch beleid bekeken, maar als onderdeel van een langetermijnstrategie voor leefbaarheid en economische aantrekkelijkheid.
De onzichtbare motor van Singapore
Er is nog een ander element dat je moeilijk kunt negeren wanneer je Singapore met België vergelijkt: hoe het land huishoudelijk werk en kinderzorg organiseert.
Bij veel gezinnen woont een huishoudhulp in. Die komt onder meer uit de Filipijnen, en verdient daarmee rond de 650 Singaporese dollar per maand.
Dat systeem maakt het voor tweeverdieners mogelijk om veel huishoudelijke en zorgtaken uit te besteden tegen een kostprijs die in België ondenkbaar zou zijn. Voor een nanny betaal je hier makkelijk €2.500 op maandbasis. Economisch is het moeilijk om het belang daarvan te onderschatten. Bovenal is ook de mentale rust die zoiets met zich meebrengt niet te onderschatten - geschreven door een moeder met kinderen van drie en vijf jaar oud.
Maar ook hier heeft efficiëntie een keerzijde. De Singaporese oplossing steunt op een grote groep arbeidsmigranten die tegen loon- en arbeidsvoorwaarden werkt die in België - niet geheel onterecht - maatschappelijk en juridisch moeilijk denkbaar zijn.
Daarmee raakt Singapore misschien aan een vraag die ook België zich moet stellen, zonder daarom het Singaporese antwoord te kopiëren. We subsidiëren huishoudelijke hulp via dienstencheques en kinderopvang, maar blijven worstelen met de combinatie van twee voltijdse carrières, kinderen en een huishouden. Kunnen we zorg en huishoudelijke ondersteuning anders organiseren zodat jonge gezinnen meer ruimte krijgen om te werken én te leven?
De gekooide droom
Singapore laat zich gemakkelijk bewonderen. Alles lijkt te werken. De metro is efficiënt. De straten zijn schoon en groen. De overheid denkt niet tot de volgende verkiezingen, maar in decennia. Kapitaal wordt niet alleen uitgegeven, maar geïnvesteerd. Talent wordt actief ontwikkeld. Buitenlandse bedrijven worden aangetrokken, maar het uiteindelijke doel blijft dat Singapore en zijn inwoners er beter van worden.
De stadstaat toont hoeveel een overheid kan bereiken wanneer ze keuzes maakt en die jarenlang consequent uitvoert. Maar het succes steunt ook op een maatschappelijk contract dat in België moeilijk denkbaar is. De overheid biedt veiligheid, welvaart en stabiliteit en krijgt daarvoor bijzonder veel ruimte om te bepalen waar de grenzen liggen.
Opvallend is dat veel Singaporezen dat niet als een kooi lijken te ervaren. Integendeel. Het vertrouwen in de overheid wordt gevoed door de resultaten die ze zien: veiligheid op straat, goed onderwijs, economische kansen, kwalitatieve infrastructuur en een stad die ondanks haar bevolkingsdichtheid bijzonder leefbaar blijft.
Voor België is Singapore daarom geen model om klakkeloos te kopiëren. Daarvoor verschillen onze geschiedenis, democratische traditie en maatschappelijke keuzes te sterk.
Het is wel een bijzonder ongemakkelijke spiegel.
Waarom slagen wij er zo moeilijk in om begrotingsdiscipline over generaties heen vol te houden? Waarom behandelen we staatsvermogen niet nadrukkelijker als vermogen van toekomstige generaties? Waarom lukt het ons niet om talent even strategisch te ontwikkelen? Waarom maken we het gezinnen die met twee willen werken zo ingewikkeld? En vooral: waarom is langetermijnbeleid bij ons zo vaak beleid tot aan de volgende verkiezingen?
Singapore bewijst niet dat autoritairder bestuur beter werkt. Het toont wel wat mogelijk wordt wanneer een land gedurende decennia dezelfde richting durft aan te houden. Waar wij vaak in legislaturen van vier of vijf jaar denken, maakt Singapore plannen met een horizon van tientallen jaren.
En misschien is net dat, meer dan de wolkenkrabbers, de groene parken of het economische succes, het meest confronterende inzicht dat je uit deze gekooide droom mee naar huis neemt.
28K
Volg ons op Linkedin en sluit je gratis aan bij de grootste HR-community van België.






