Inhoudingen op het loon in geval van schade veroorzaakt door een werknemer aan de goederen van de onderneming: herinnering aan de beginselen

7 september 2022
Tekst
Frédérique Gillet, DLA Piper

Artikel 18 van de Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt dat wanneer een werknemer bij de uitvoering van zijn overeenkomst schade berokkent aan zijn werkgever of aan derden, hij alleen aansprakelijk is voor zijn bedrog, zijn zware schuld of zijn gewoonlijk voorkomende lichte schuld.

In een vonnis van 27 januari 2022 kon de arbeidsrechtbank van Luik[1] de draagwijdte van deze bepaling in herinnering brengen, door zich te buigen over de toepasselijke beginselen wanneer een werkgever van een werknemer een kostenvergoeding eist voor de schade veroorzaakt aan een goed van de onderneming.

Het geval van een werknemer die was aangenomen als werfleider, vormde het uitgangspunt van de becommentarieerde beslissing. De werkgever had deze werknemer een bedrijfswagen ter beschikking gesteld. In die context hadden de werkgever en de werknemer een car policy gesloten.

Tijdens zijn opzegtermijn na zijn ontslag heeft de werknemer tijdens de uitvoering van zijn job een verkeersongeval. De bedrijfswagen is beschadigd. De partijen ondertekenen vervolgens een schuldbekentenis, waarbij de werknemer zich ertoe verbindt de reparaties aan het voertuig te betalen.

Tegelijkertijd houdt de werkgever een stuk van het loon van de werknemer in. Deze laatste betwist deze inhouding en vordert tegelijkertijd verschillende achterstallige terugbetalingen van kosten en loonvergoedingen. Het geschil werd uiteindelijk voorgelegd aan de arbeidsrechtbank van Luik.

De rechtbank bekeek de car policy die beide partijen waren overeengekomen. Met betrekking tot ongevallen en schade berokkend aan het voertuig tijdens de werkuren wordt in die car policy bepaald dat alle schade in het kader van een ongeval dat te wijten is aan een 'fout' van de werknemer, moet vergoed worden door de werknemer, wanneer het bedrag van de reparatie lager is dan de franchise die werd overeengekomen met de verzekeringsmaatschappij.

In dit geval had de onderneming 802 euro ingehouden op het loon van de werknemer. De rechtbank onderzocht vervolgens of deze inhouding in overeenstemming is met wat in het voornoemde artikel 18 van de Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten staat. Volgens de rechtbank kan de werknemer in dit geval geen enkele zware schuld noch bedrog worden verweten, en evenmin een gewoonlijk voorkomende lichte schuld.

Vervolgens herinnerde de rechtbank aan het dwingende karakter van artikel 18: de werknemer kan er geen afstand van doen vóór het einde van zijn arbeidsovereenkomst. En die was nog niet beëindigd op het ogenblik van het ongeval in kwestie.

Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de bepaling van de car policy die de werknemer aansprakelijk stelt voor schade beneden een bepaald bedrag en die de criteria 'zware schuld', 'bedrog' en 'gewoonlijk voorkomende lichte schuld' buiten beschouwing laat en alleen maar het criterium 'fout' handhaaft, onwettig is. De rechtbank besliste daarom deze bepaling buiten beschouwing te laten en in te gaan op het verzoek van de werknemer betreffende de inhouding op het loon.

Anderzijds is het interessant om op te merken dat de werkgever ook een tegenvordering had ingediend en daarbij in het gelijk werd gesteld. De werkgever had namelijk geëist dat de werknemer de boetes zou betalen die waren opgelegd terwijl hij de bedrijfswagen had gebruikt. De rechtbank stelde vast dat de car policy er uitdrukkelijk in voorzag dat de boetes voor verkeersovertredingen uitsluitend voor rekening van de werknemer zijn. Een dergelijke inhouding is wel degelijk toegestaan op grond van artikel 23 van de Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zodat de werkgever het bedrag van de boetes mocht inhouden op het loon van de werknemer.

Deze beslissing illustreert dus hoe belangrijk het is om een car policy op te stellen, op voorwaarde dat die voldoet aan de dwingende bepalingen.

[1] Arbrb. Luik (afd. Luik), 27 januari 2022, A.R. 18/3.571/A, www.terralaboris.be